Physicians Committee for Responsible Medicine, 1998
Een grote hoeveelheid wetenschappelijke bewijsvoering roept bezorgdheid op over de gezondheidsrisico’s van koemelkproducten. Het gaat om de eiwitten, de suiker, het vet en de besmettingen in zuivelproducten en de ongeschiktheid van volle koemelk als babyvoeding.
Gezondheidsrisico’s zijn het grootst voor baby’s van nog geen jaar,
bij wie volle koemelk bij kan dragen aan verschillende voedingstekorten, zoals
tekort aan ijzer, belangrijke vetzuren en vitamine E. De American Academy of
Pediatrics adviseert om kinderen beneden de 1 jaar geen volle koemelk te geven.1
Koemelkproducten hebben een zeer laag ijzergehalte, een kwart liter bevat maar
ongeveer een tiende milligram.2 Om de Amerikaanse aanbevolen dagelijkse
hoeveelheid van 15 mg ijzer te krijgen, zou een baby meer dan 35 liter melk
per dag moeten drinken. Melk kan ook bloedverlies in de ingewanden veroorzaken
en dat vermindert na verloop van tijd de hoeveelheid ijzer in het lichaam. Wetenschappers
hebben als theorie dat het bloedverlies een reactie kan zijn op de eiwitten
die in de melk aanwezig zijn.3 Pasteurisatie kan het probleem niet
oplossen. Onderzoekers van de Universiteit van Iowa schreven kort geleden in
het Journal of Pediatrics dat ‘bij een groot deel van de baby’s
die met koemelk gevoed werden een aanzienlijke hoeveelheid hemoglobine verloren
ging. Sommige baby’s zijn uiterst gevoelig voor koemelk en kunnen grote
hoeveelheden bloed verliezen.’3
Hoewel de bezorgdheid het grootst is voor kinderen jonger dan een jaar, zijn
er ook zorgen over de gezondheid bij het gebruik van melk door oudere kinderen,
en zijn er een aantal problemen die met ingrediënten van koemelk in verband
gebracht worden.
Melkeiwitten en suikerziekte
Verschillende rapporten leggen een verband tussen insulineafhankelijke suikerziekte
en een bepaald eiwit in zuivelproducten. Deze vorm van suikerziekte begint gewoonlijk
in de kindertijd. Het is de voornaamste oorzaak van blindheid en draagt bij
tot hartziekte, nierbeschadiging en amputatie vanwege slechte bloedcirculatie.
Studies uit verschillende landen laten een sterke correlatie zien tussen het
gebruik van zuivelproducten en het optreden van suikerziekte.4 Een
recent rapport in New England Journal of Medicine5 voegt belangrijke
steun toe aan de oude theorie dat koemelkeiwitten de productie van afweerstoffen
stimuleren,6 die, op hun beurt, insulineproducerende cellen van de
alvleesklier afbreken.7 In het nieuwe rapport vonden onderzoekers
uit Canada en Finland grote hoeveelheden afweerstoffen van een bepaald deel
van een koemelkeiwit, het zogenaamde bovine serum albumin, in 100% van de 142
diabetische kinderen die werden bestudeerd op het ogenblik dat de ziekte gediagnosticeerd
werd. Niet-suikerzieke kinderen hebben deze afweerstoffen soms ook, maar alleen
in kleinere hoeveelheden. De onderzoeken wijzen naar een combinatie van erfelijke
aanleg en het drinken van koemelk, die de jeugdvorm van suikerziekte veroorzaakt,
hoewel er nog geen manier is om te bepalen welke kinderen een erfelijke aanleg
hebben. Afweerstoffen worden blijkbaar gevormd als gevolg van zelfs kleine hoeveelheden
melkproducten, ook van babyvoeding.
De afbraak van alvleeskliercellen gebeurt geleidelijk, vooral na infecties,
die er de oorzaak van zijn dat celeiwitten schade oplopen van afweerstoffen.
Suikerziekte wordt aanwijsbaar wanneer 80 tot 90% van de insulineproducerende
bètacellen zijn vernietigd.
Melkeiwitten behoren ook tot de meest voorkomende oorzaken van voedselallergieën.
Vaak duurt het lang voordat de oorzaak van de symptomen herkend wordt.
Melksuiker en gezondheidsproblemen
Veel mensen, vooral die van Aziatische en Afrikaanse afkomst, zijn niet in staat
om melksuiker, lactose, te verteren. Dit heeft diarree en gasvorming ten gevolge.
Wanneer lactose wel verteerd wordt, vormt het twee eenvoudige suikers: glucose
en galactose.
Galactose wordt in verband gebracht met kanker in de eierstokken8
en grauwe staar.9, 10 Kinderen die met moedermelk zijn
grootgebracht hebben actieve enzymen om galactose af te breken. Naarmate we
ouder worden verliezen de meesten van ons een groot deel van deze mogelijkheid.
Vetgehalte
Volle melk, room, boter, roomijs, zure room, en alle andere zuivel, behalve
afgeroomde en magere producten, bevatten behoorlijke hoeveelheden verzadigd
vet en cholesterol en dragen bij aan de vorming van hart- en vaatziekten en
bepaalde vormen van kanker. Vroege vormen van hartziekten zijn beschreven bij
Amerikaanse tieners. Hoewel kinderen zeker een bepaalde hoeveelheid vet in hun
voedsel nodig hebben, is er, voedingskundig gezien, geen behoefte aan koemelkvet.
Integendeel, want koemelk bevat een hoog percentage verzadigde vetten, maar
weinig van het essentiële vetzuur linolzuur.
Besmettingen
Melk bevat vaak onzuiverheden, van pesticiden tot geneesmiddelen. Het is bewezen
dat ongeveer eenderde van de koemelkproducten besmet is met sporen van antibiotica.
De hoeveelheid vitamine D in melk is slecht gereguleerd. Bij een recente test
van 42 melkmonsters bevond zich maar 12% binnen de verwachte grenzen van de
hoeveelheid vitamine D. Van de tien geteste monsters babymelkpoeder bevatten
zeven monsters meer dan twee keer zoveel vitamine D als vermeld op het etiket,
waarvan er een zelfs meer dan vier keer de hoeveelheid die op het etiket stond
bevatte.11 Vitamine D is giftig bij een overdosis.12
Botontkalking
Melkproducten geven iemand die bezorgd is over botontkalking een vals gevoel
van veiligheid. In landen waar weinig melkproducten worden geconsumeerd, komt
feitelijk minder botontkalking voor dan in de Verenigde Staten. Studies hebben
weinig effect aangetoond van het gebruik van melkproducten op botontkalking.13
Een studie van de Universiteit van Harvard naar de gezondheid van verpleegsters
volgde 78.000 vrouwen gedurende twaalf jaar en ontdekte dat melk niet tegen
botbreuken beschermde. In feite kregen zij die drie glazen melk per dag dronken
meer breuken dan wie maar zelden melk dronk.14
Er zijn veel goede bronnen van calcium. Boerenkool, broccoli en andere groene
bladgroenten bevatten calcium dat direct door het lichaam opgenomen kan worden.
In een recent rapport in American Journal of Clinical Nutrition stond dat het
vermogen om calcium uit boerenkool in het lichaam op te nemen feitelijk groter
is dan uit melk en het rapport concludeerde dat ‘gesteld kan worden dat
groenten als boerenkool minstens zo goed zijn als melk wat betreft de calciumafgifte.’15
Bonen zijn ook rijk aan calcium. Gevitaminiseerde sinaasappelsap verschaft op
een smakelijke manier grote hoeveelheden calcium.16
Calcium is maar een van de vele factoren die het bot beïnvloeden. Andere
factoren van belang betreffen hormonen, fosfor, borium, beweging, roken, alcohol
en geneesmiddelen.17-20 Ook eiwitten zijn belangrijk bij de kalkspiegel.
Diëten die rijk zijn aan eiwitten, vooral aan dierlijke eiwitten, dragen
bij aan kalkverlies.21-23
Aanbevelingen
Er is geen behoefte aan zuivelproducten in de voeding, en er kunnen ernstige
problemen ontstaan door de eiwitten, de suiker, het vet en de besmettingen in
melkproducten. Daarom worden de volgende aanbevelingen gedaan:
• Borstvoeding is de babyvoeding waaraan de voorkeur gegeven wordt. Zoals aanbevolen door de American Academy of Pediatrics, zou volle koemelk niet gegeven mogen worden aan baby’s beneden een jaar.
• Ouders zouden gewaarschuwd moeten worden voor de mogelijke risico’s van het gebruik van koemelk voor hun kinderen.
• Koemelk zou niet vereist of aanbevolen mogen worden in overheidsvoorschriften.
• Overheidsprojecten zoals programma’s voor schoollunches en het Women, Infants & Children programma zouden in overeenstemming moeten zijn met deze aanbevelingen.
Noten
1. American Academy of Pediatrics, Committee on Nutrition. The Use of Whole
Cow’ s Milk in Infancy. Pediatrics 1992: 89: 1105-9.
2. Pennington, J.A.T. en H.N. Church. Food Values of Portions Commonly Used.
New York: Harper and Row, 1989.
3. Ziegler, E.E., S.J. Fomon, S.E. Nelson en anderen. Cow Milk Feeding in Infancy:
Further Observations on Blood Loss from the Gastrointestinal Tract. Journal
of Pediatrics 1990: 116: 11-8.
4. Scott, F.W. Cow Milk and Insulin-dependent Diabetes Mellitus: Is There a
Relationship? American Journal of Clinical Nutrition 1990: 51: 489-91.
5. Karjalainen, J., J.M. Martin, M. Knip en anderen. A Bovine Albumin Peptide
as a Possible Trigger of Insulin-dependent Diabetes Mellitus. New England Journal
of Medicine 1992: 327: 302-7.
6. Roberton, D.M., R. Paganelli, R. Dinwiddie en R.J. Levinsky. Milk Antigen
Absorption in the Preterm and Term Neonate. Archives of Disease in Childhood
1982: 57: 369-72.
7. Bruining, G.J., J. Molenaar, C.W. Tuk, J. Lindeman, H.A. Bruining and B.
Marner. Clinical Time-course and Characteristics of Islet Cell Cytoplasmatic
Antibodies in Childhood Diabetes. Diabetologia 1984: 26: 24-29.
8. Cramer, D.W., W.C. Willett, D.A. Bell en anderen. Galactose Consumption and
Metabolism in Relation to the Risk of Ovarian Cancer. The Lancet 1989: 2: 66-71.
9. Simoons, F.J. A Geographic Approach to Senile Cataracts: Possible Links with
Milk Consumption, Lactase Activity, and Galactose Metabolism. Digestive Diseases
and Sciences 1982: 27: 257-64.
10. Couet, C., P. Jan en G. Debry. Lactose and Cataract in Humans: A Review.
Journal of the American College of Nutrition 1991: 10: 79-86.
11. Holick, M.F., Q. Shao, W.W. Liu en T.C. Chen. The Vitamin D Content of Fortified
Milk and Infant Formula. New England Journal of Medicine 1992: 326: 1178-81.
12. Jacobus, C.H., M.F. Holick, Q. Shao en anderen. Hypervitaminosis D Associated
with Drinking Milk. New England Journal of Medicine 1992: 326: 1173-7.
13. Riggs, B.L., H.W. Wahner, J. Melton, L.S. Richelson, H.L. Judd en M. O’Fallon.
Dietary Calcium Intake and Rates on Bone Loss in Women. Journal of Clinical
Investigation 1987: 80: 979-82.
14. Feskanich, D., W.C. Willett, M.J. Stampfer, G.A. Colditz. Milk, Dietary
Calcium, and Bone Fractures in Women: A 12-year Prospective Study. American
Journal of Public Health 1997: 87:992-7.
15. Heaney, R.P. en C.M. Weaver. Calcium Absorption from Kale. American Journal
of Clinical Nutrition 1990: 51: 656-7.
16. Nicar, M.J. en C.Y.C. Pak. Calcium Bioavailability from Calcium Carbonate
and Calcium Citrate. Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism 1985:
61: 391-3.
17. Dawson-Hughes, B. Calcium Supplementation and Bone Loss: A Review of Controlled
Clinical Trials. American Journal of Clinical Nutrition 1991: 54: 274S-80S.
18. Mazess, R.B. en H.S. Barden. Bone Density in Premenopausal Women: Effects
of Age, Dietary Intake, Physical Activity, Smoking, and Birth-control Pills.
American Journal of Clinical Nutrition 1991: 53: 132-42.
19. Nelson, M.E., E.C. Fisher, F.A. Dilmanian, G.E. Dallal, W.J. Evans. A L-y
Walking Program and Increased Dietary Calcium in Postmenopausal Women: Effect
on Bone. American Journal of Clinical Nutrition 1991: 53: 1304-11.
20. Nielsen, F.H., C.D. Hunt, L.M. Mullen en J.R. Hunt. Effect of Dietary Boron
on Mineral, Estrogen, and Testosterone Metabolism in Postmenopausal Women. FASEB
Journal 1987: 1: 394-7.
21. Zemel, M.B. Role of the Sulfur-containing Amino Acids in Protein-induced
Hypercalciuria in Men. Journal of Nutrition 1981: 111: 545.
22. Hegsted, M. Urinary Calcium and Calcium Balance in Young Men as Affected
by Level of Protein and Phosphorus Intake. Journal of Nutrition 1981: 111: 553.
23. Marsh, A.G., T.V. Sanchez, O. Mickelsen, J. Keiser en G. Mayor. Cortical
Bone Density of Adult Lacto-ovo-vegetarian and Omnivorous Women. Journal of
the American Dietetic Association 1980: 76: 148-51.